OP REIS MET GIJS
this page in English
Reisverhalen met de kampeerauto door Rutger Booy
Kennismaking met Griekenland
In de winter is Griekenland een heerlijk land om wat langer met een kampeerauto te verkennen. De plaatselijke bevolking lijkt alle tijd van de wereld te hebben. De mannen slenteren op straat en zitten op terrasjes - waar ze ‘s zomers werken - om nu zelf daar koffie te drinken.
Begin november reden Francina en ik in het noorden van Griekenland. Het regende, het was behoorlijk koud, en over de bergen woei een straffe noordenwind. Het was de eerste keer dat we met Gijs, onze kampeerauto, door Griekenland reden. Ondanks de regenbuien die we over ons heen kregen maakte het land een vriendelijke indruk door de witgeschilderde huizen.
Die avond ging de regen over in natte sneeuw en ik kreeg het flink benauwd. Om in het zuiden van Griekenland te komen moesten we door het Píndos-gebergte, over een smalle pasweg die bij sneeuwval werd afgesloten.
Toen we de volgende morgen wakker werden was het ongewoon stil om ons heen. Voorzichtig wierp ik een blik door de gordijnen en schrok. Vannacht was het echt gaan sneeuwen en de straten en auto’s waren bedekt onder een dik pak. Het leek me geen prettig vooruitzicht om in dit dorpje te moeten overwinteren. Na een poosje zag ik dat de wegen door een sneeuwploeg werden schoongemaakt. We besloten door te zetten. In het begin was de tocht weinig opwekkend, koud, donker en langs de kant van de weg lagen geslipte auto’s. Plotseling begon de motor van Gijs te stotteren en in te houden. De auto kwam slechts hortend en stotend vooruit. Er was iets mis met de brandstoftoevoer, maar wat? Nergens langs de kant van de weg was een plekje om te stoppen en ik begon me zorgen te maken dat de motor er helemaal mee op zou houden. Het zweet brak me uit.
Gelukkig bleef de motor ploegend zijn werk doen en na een paar kilometer begon hij weer normaal te lopen. Opgelucht haalde ik adem. Te vroeg, even later begon het stotteren opnieuw, alleen niet zo erg als de eerste keer.
Achter het stuur zat ik me suf te piekeren wat het probleem kon zijn maar ook deze keer liep na een paar kilometer de motor weer normaal en daarna deed het mankement zich niet meer voor.
Pas later bedacht ik me dat ik kort daarvoor diesel had getankt. Waarschijnlijk was dat nog “zomerbrandstof” en daardoor niet geschikt bij deze lage temperaturen. Toen de buitentemperatuur iets steeg ging het probleem vanzelf over.
Niet alleen de toestand van de motor baarde me zorgen. Met angst en beven bekeek ik elke pas die we over moesten. Sommige waren meer dan 1500 meter hoog. De wegen waren smal en moeilijk begaanbaar. Door de hevige sneeuwval waren grote rotsblokken op de weg gerold waar ik omheen moest slalommen. Ik kwam echter vrijwel geen ander verkeer tegen en dat maakte het rijden wat rustiger. Tegen een uur of tien brak de zon door het wolkendek en vanaf dat ogenblik genoten we van een prachtige rit langs besneeuwde bergtoppen.
Na een paar uur waren we de passen voorbij en hadden de sneeuw achter ons gelaten. Ik haalde opgelucht adem toen we Ioánnina binnenreden. De angst onderweg ingesneeuwd te raken was toch wel erg groot en ik was blij dat we deze barre tocht heelhuids hadden volbracht.
Ioánnina was een druk stadje. Het lag aan een groot meer en ik parkeerde Gijs aan de oever. Op de top van een heuvel bevond zich een grote citadel, waar in de negentiende eeuw de Turkse heerser Ali Pasja woonde, samen met zijn driehonderd vrouwen. Toch was zijn grootste hobby het kijken naar de hoofden van zijn tegenstanders, gespietst op puntige palen. Zoals te verwachten van zo’n moorddadig en wellustig type is het slecht met hem afgelopen. Ach, misschien wist hij ook wel niet hoe hij “nee” moest zeggen in het Grieks. Francina had daar in elk geval de grootste moeite mee. Op de markt werd ze door allerlei oude vrouwtjes aangesproken om mandarijnen of groenten te kopen en dan zei ze “nee” en schudde met haar hoofd. Fout, want in het Grieks betekent “nè” ja en met je hoofd (nee)schudden is óók ja! Verwarring dus voor beide partijen. Bij de bakker dacht ze twee stukken gebak te kopen, toen we ze wilden opeten bleek het bladerdeeg te zijn, gevuld met een zachte schapenkaas en spinazie. Even wennen, omdat we iets zoets verwachtten, maar toch smaakte het best goed.
Omdat Francina de “grote was”, als lakens en spijkerbroeken wilde doen besloten we voor één dag een camping te nemen. In Párga, een piepklein vissersdorpje, ging ik bij de plaatselijke camping aan de beheerder vragen of hij plaats voor ons had. Op wat onbewoond uitziende caravans na was het terreintje geheel verlaten en de eigenaar zei vriendelijk:
“No problem, ga maar staan waar je wilt.”
Op mijn vraag wat ik moest betalen, lachte hij en antwoordde:
“No problem, is gratis.”
Waarschijnlijk omdat we buiten het seizoen kwamen. Toch was alles prima in orde, schoon sanitair, warm water en meer hadden we niet nodig. Alleen kwam van wassen niet veel terecht omdat regelmatig flinke regenbuien overdreven.
Na twee dagen wilden we de gastvrijheid van de campingbeheerder niet verder uitbuiten en besloten verder te trekken. De man was het daar echter geheel niet mee eens.
“Ben je gek,” protesteerde hij, “Jullie kunnen rustig wat langer blijven. Waarom gaan jullie straks niet met mij mee? Vanmiddag speelt het voetbalteam van Párga een belangrijke wedstrijd tegen het volgende dorp. Dat wordt reuze gezellig.”
We zijn toch maar weggegaan. Dit soort vriendelijkheid kwamen we overal tegen in Griekenland. Ook in winkels deed iedereen zijn best ons ter wille te zijn, maar beslist niet om ons ten koste van alles iets te verkopen. De meeste mensen spraken een paar woorden Engels, makkelijk, maar daardoor leerden wij geen woord Grieks. Zelfs alle bewegwijzering op de hoofdwegen was tweetalig, in het Grieks (met Griekse letters) en in het Engels.
Die dag reden we van Párga naar Préveza, een havenstadje dat een kilometer of vijftig zuidelijker lag. Daar aangekomen zochten we een plaatsje aan de haven en zagen even later dat we recht tegenover een Nederlands zeiljacht stonden. Het jacht werd bewoond door een Amsterdams stel. Francina en ik stapten op hen af om kennis te maken.
De vrouw, aanzienlijk jonger dan wij, bevond zich op het dek en reageerde gelijk enthousiast:
“Leuk weer eens Nederlanders te ontmoeten. Wij komen uit Amsterdam, waar komen jullie vandaan? Ik heet Christine,” ging ze verder zonder op antwoord te wachten, “Wacht even, dan zal ik mijn man roepen.”
Vanuit de kajuit verscheen een klein, dik ventje met een korte broek. Hij heette Eddy, vond zichzelf buitengewoon uniek en begon meteen te vertellen dat hij al twee jaar aan het “zeezwerven” was, zoals hij het zelf noemde.
Ik moest even slikken toen dit Amsterdamse paar verrast opkeek omdat wij met een kampeerauto reisden. Eddy vond dat maar gek.
“Een kampeerauto is toch alleen iets voor oude mensen?” vroeg hij en ik kreeg sterk de indruk dat hij bij oud dan dacht aan een jaar of tachtig.
“Nee, een kampeerauto is niks,” maakte hij ons gelijk af, “Zeilen, dat is pas je ware!”
Hij begon een heel verhaal over alle gevaren die zij op zee moesten doorstaan. Met een auto konden we volgens hem hoogstens een lekke band krijgen, “En dan bel je de wegenwacht die hem voor je komt verwisselen.”
Ik moest beamen dat wij met onze auto inderdaad niet gauw zouden vergaan bij een storm op volle zee, maar avonturen beleefden we voldoende. Het klikte niet zo geweldig met deze mensen dat we gelijk vriendschap sloten, toch was het prettig weer eens Nederlanders te ontmoeten.
We bleven een week in Préveza en terwijl we aan de haven stonden was het weer heel afwisselend. Soms hevige hoosbuien, maar ook scheen de zon regelmatig en dan liep de temperatuur op tot in de twintig graden. De warme, vochtige lucht voelde heel aangenaam aan. In de omgeving waren prachtige verlaten stranden en het zeewater was warm en helder. Toch dachten we niet aan zwemmen, het barstte van de kwallen.
Na die week vonden we het tijd worden eens verder te trekken. We hadden elkaar al eens ernstig aangekeken omdat we al veertien dagen in Griekenland waren en nog geen enkele culturele bezienswaardigheid hadden bekeken. En dat terwijl op elke vierkante meter wel een belangrijke potscherf of afbeelding van de goden was opgegraven.
Vlakbij Préveza lag Nikópolis, een oude Romeinse stad, waar nu alleen nog ruïnes van over zijn. Imposant waren de resten van de stadsmuren. Het leven in Griekenland gaat echter gewoon door en tegenwoordig loopt een brede asfaltweg dwars door de ruïnes. De ruïnes leken meer op een grote heemtuin, waarin wilde cyclamen en andere bloemen bloeiden. Tot twee keer toe stapte Francina zelfs bijna op een schildpad, die hier nog in de vrije natuur leven.
In een volgend stadje op onze route vonden we een prachtig plekje bij het haventje en besloten gelijk een aantal dagen te blijven. Na een paar minuten rook ik een enorme stank, alsof we midden in de koeienpoep stonden. Ik verzette de auto een meter of vijf naar achteren maar veel effect had dat niet. Af en toe dreef een verschrikkelijke walm door het interieur.
Ik verzette nogmaals de auto, nu met zijn zijkant langs het water. Dat bracht even uitstel, maar niet lang. Het leek wel of we op een vuilnisbelt terecht waren gekomen. Ik had geen idee waar de stank vandaan kwam. Het kon toch niet mijn vuilwatertank zijn? Ik draaide de aftapkraan open en inderdaad stonk de straal water die eruit kwam behoorlijk, maar toch was het niet dezelfde lucht.
Terwijl Francina en ik al snuffelend om de auto liepen kwam een Griekse man op ons af en vroeg in keurig Engels of we iets zochten. Dat was een beetje moeilijk om uit te leggen en dus antwoordde Francina:
“Een waterkraan.”
De man scheen het niet vreemd te vinden dat we dat al snuffelend deden en wees ons heel vriendelijk een kraan aan de overkant van de straat.
Toen hij uit het zicht was verdwenen besloten we ten einde raad dan maar niet aan de waterkant te blijven. Even verderop was een parkeerterrein, vanwaar we toch een vrij uitzicht over het water hadden. Daar stonk het niet. De Griekse mannen, die “allemaal” langs de waterkant wandelden of zaten te vissen, hadden ons heen en weer gerij natuurlijk nauwlettend gevolgd. ‘s Avonds werden we opnieuw aangesproken door diezelfde Griek, die vroeg hoe het met ons ging. Na een praatje over het weer en de visvangst stelde hij ons voor aan zijn metgezel Antonío, een oudere, grijzende heer die, nadat we hadden verteld uit Nederland te komen, tot onze verbazing in vloeiend Nederlands tegen ons begon te praten.
“Ik heb ruim twintig jaar in Nederland in de textielindustrie gewerkt”, vertelde hij, “na mijn pensionering ben ik teruggegaan naar Griekenland en geniet hier al een paar jaar van mijn pensioen.”
Antonío vertelde met een probleem te zitten. Hij had een vragenformulier toegezonden gekregen van het Pensioenfonds uit Nederland. Antonío kon wel Nederlands lezen, maar onze slimme ambtenaren stuurden hem alleen brieven in het Engels, zodat hij ze niet kon begrijpen of beantwoorden. Of wij hem wilden helpen?
Natuurlijk wilden we dat en daarop nodigde Antonío ons uit de volgende morgen naar zijn huis te komen.
Ik was benieuwd hoe een Grieks huis er van binnen uit zou zien, maar was teleurgesteld toen ik zag dat Antonío zijn huis op een typisch Nederlandse manier had ingericht. Tafel en stoelen van zwaar eikenhout en zelfs een paar Delftsblauwe klompjes op een bijzettafel. Alleen het glaasje ouzo bij de koffie was typisch Grieks.
Ook Dimitra, de vrouw van Antonío, bleek goed Nederlands te spreken. Toen Antonío me de brief van het Pensioenfonds liet zien kon ik me voorstellen dat hij daar niets van begreep. De toelichting op de vragen was zo ingewikkeld dat ik het na drie keer lezen nog niet begreep, laat staan dat iemand zonder administratieve ervaring dat wel kon. Uiteindelijk lukte het me om het uitgebreide formulier in te vullen.
We bleven eten bij Dimitra en Antonío en maakten toen ook kennis met hun vier kinderen. Hun twee zoons van achttien en zestien zaten nog op school, het Nederlands waren ze helemaal vergeten. Het waren leuke knullen die gelijk over school en sport begonnen te kletsen. De tweeling, twee meisjes van zes, was heel verlegen en durfde amper iets tegen ons te zeggen.
Ook de maaltijd was typisch Nederlands. Grappig was dat de volwassenen in de woonkamer aten en de kinderen in de keuken. Misschien was dat wel zo rustig. Het contact verliep erg ontspannen en we hebben van Antonío en Dimitra een hoop over het leven in Griekenland opgestoken.
Poste Restante
Met Gijs, onze kampeerauto, trokken we langs de westkust van Griekenland naar het zuiden. Ons plan was in diverse dorpjes een paar dagen tot een week te blijven. In deze plaatsjes hoopten we ook andere reizigers te ontmoeten, want op onze tocht door Griekenland waren we geen andere kampeerauto’s tegengekomen. Inmiddels hadden we al heel wat boeken om te ruilen. Ook de gezelligheid die dat soort contacten met zich meebracht stellen we altijd op prijs.
Vroeger vond ik contacten met familie en vrienden vanzelfsprekend, maar nu we langere tijd onderweg zijn en geen vast adres meer hebben mis ik die band. Even langs gaan of elke dag mijn moeder bellen is er tegenwoordig niet meer bij. Francina, mijn echtgenote, is een enthousiaste brievenschrijfster geworden, met in haar achterhoofd de gedachte dat, als wij veel schrijven, we ook veel post terug krijgen. Mijn zwager Theo fungeert daarbij als tussenpersoon. Hij verzamelt alle brieven en stuurt die, na een telefoontje van mij, ‘poste-restante’ naar het hoofdpostkantoor van de opgegeven plaats.
Ondanks mijn ervaring dat poste-restante brieven vaak langer onderweg zijn dan gewone post, ben ik altijd ongeduldig. Meestal sta ik een paar dagen na verzending uit Nederland al voor de deur van het postkantoor te trappelen om de brieven in ontvangst te nemen. Maar deze keer, zo nam ik me voor, zou ik me beslist niet druk maken en minstens tien dagen wachten alvorens naar het postkantoor te gaan.
Ik had Theo het stadje Náfpaktos opgegeven als volgend poste-restante adres, maar zelfs in ons rustige tempo was dat slechts vier dagen rijden. Om de tijd te rekken bedacht ik een omweg. Op de kaart had ik een smalle weg gezien langs de kust naar het zuiden. Als we die weg namen konden we op ons gemak wat beter de omgeving verkennen.
De weg liep vlak langs zee, links van ons een hoge rotswand, rechts beukende golven die duidelijk zichtbaar hier en daar enorme stukken uit de weg hadden geslagen. Alleen heel voorzichtig rijdend kon ik de gapende afgronden vermijden.
Die dag sloeg het weer om. De wind wakkerde aan tot storm, maar af en toe scheen de zon tussen de zware wolken door en dan hadden we een magnifiek uitzicht over de groene zee en de donkere, bruine eilanden voor de ruige kust.
Na een flinke rit kwamen we terecht in Antírrion. We vonden een beschut plekje naast de aanlegsteiger vanwaar de veerboten vertrekken naar Pátras, aan de overkant van de Golf van Korinthië. Bij de haven was het een drukte van belang, constant lagen veerboten te laden of te lossen. Een fascinerend gezicht, want deze schepen hadden slechts één laadklep aan de boeg en vrachtwagens en autobussen moesten achteruitrijdend het schip op. Dat ging gepaard met een heleboel geschreeuw en kijkend naar dat getob bedacht ik blij dat ik niet mee hoefde.
De volgende dag reden we toch naar Náfpaktos. Eigenlijk waren we nog één dag te vroeg en dus reed ik niet rechtstreeks naar het postkantoor, maar parkeerde Gijs aan de boulevard, onder een aantal dennenbomen. Het was een mooi en rustig plekje waar we volgens mij best een poosje konden blijven. Mijn enige probleem was dat ik onderweg nergens een mogelijkheid had gezien de watertanks van Gijs bij te vullen en het niveau in de tanks was tot een bedenkelijk laag peil gezakt.
‘s Middags kwamen drie jochies van een jaar of tien naast onze auto spelen. Terwijl Francina en ik lachend zaten toe te kijken klommen ze in de bomen en bekogelden elkaar met dennenappels. Op een gegeven moment zagen de jongetjes ons zitten en begonnen te lachen en te zwaaien. In het begin zwaaiden we terug maar de jongetjes werden een beetje vervelend. Toen wij niet meer wilden kijken begonnen ze aandacht te trekken door de dennenappels niet meer naar elkaar maar naar Gijs te gooien. De projectielen kletterden tegen de ruiten en op het dak waarop ons zonnepaneel zat.
Dat kon ik niet goed vinden en liep naar buiten met de bedoeling de jongens vriendelijk doch dringend te verzoeken daarmee op te houden. Ik kreeg niet de kans iets te zeggen. Zo gauw ze me naar buiten zagen komen, renden de belhamels hard weg.
Even bleef het rustig om ons heen, maar heel stilletjes kwamen de deugnieten terug geslopen en het gooien begon opnieuw. Weer stapte ik naar buiten en opnieuw renden de jongetjes hard weg. Zo bleef het een poosje doorgaan, de schmiechten vonden het prachtig mij, steeds een beetje bozer, naar buiten te zien komen en ik voelde me voor gek staan.
Over de boulevard daagde redding op in de vorm van een man van een jaar of veertig. Hij droeg een vishengel op zijn rug. Ik klampte hem aan en vroeg om hulp.
Gelukkig sprak de man Engels en met een paar welgekozen Griekse scheldwoorden joeg hij onze plaaggeesten weg.
“Zo, die komen voorlopig niet meer terug,” zei de man, “maar voor de zekerheid zal ik bij jullie voor de deur gaan vissen.”
Voor de gezelligheid ging ik naast hem zitten. De man heette Spiros en we raakten aan de praat. Doordat hij goed Engels sprak leek hij de juiste persoon om me iets meer te vertellen over Griekse muziek. De afgelopen weken stond onze radio afgestemd op plaatselijke zenders en Francina en ik waren de melancholieke Griekse bouzouki-klanken zeer gaan waarderen. Van de tekst verstonden we natuurlijk niets, maar een paar woorden, zoals ‘sagapo’ en ‘agapimou’ hoorde ik in vrijwel elk liedje terug. Ik vroeg Spiros naar de betekenis en keek verbaasd toen hij onbedaarlijk in de lach schoot.
“Dat zijn inderdaad de meest gebruikte woorden in het Grieks,” hikte hij, “ze betekenen ‘lieveling’ en ‘ik hou van jou’!”
Dat was duidelijk.
De volgende ochtend liep ik, voor ik naar het postkantoor ging, eerst naar de bakker om baklawás te kopen. Als ik straks met de post terug zou komen had Francina de koffie klaar en dan zouden we lekker onderuit zakken met het honinggebak om alle brieven te lezen.
Op het postkantoor waren de ambtenaren wel aanwezig, maar er heerste een beetje opgewonden stemming, alsof iets te gebeuren stond. Ik was de enige klant en zag alle ambtenaren mijn richting uitkijken. Op mijn vraag naar poste-restante glimlachte de man achter het loket vrolijk naar mij, maar reageerde afwijzend op mijn verzoek. Daar snapte ik niets van en pas toen ik informeerde naar postzegels voor verzamelaars, maakte hij me duidelijk dat ik even moest wachten, daarvoor riep hij iemand anders. Hij liep naar een kantoortje, opende de deur en zei iets. Duidelijk verstond ik het woord ‘sagapo’ en zag de rest van de ambtenaren ook lachen.
Even later verscheen Spiros in de deuropening en begroette me als een oude vriend. Hij gebaarde dat ik niet voor het loket moest blijven staan en nodigde me binnen in zijn kantoor.
“Ga zitten,” zei hij en wees op een grote, comfortabele leunstoel. Spiros bood me een kopje koffie aan en vertelde verontschuldigend dat sinds gisteren het openbare leven in Griekenland was ontregeld door een stakingsgolf. Alle ambtenaren hadden het werk neergelegd om te protesteren tegen een wet waarbij het stakingsrecht aan banden zou worden gelegd. Dat leek me een logische reden om te staken. Voor hij me uitgeleide deed keek Spiros “stiekem” toch even of onze post al was aangekomen, maar helaas... nog niets!
Teleurgesteld maar getroost door de baklawás gingen Francina en ik met Gijs op pad om water te zoeken en onze tanks weer eens helemaal te vullen. Gisteren had Spiros verteld dat boven in de bergen een bron was waaruit heerlijk zoet water stroomde.
Die was niet moeilijk te vinden want we kwamen net op een tijd waarop veel mannen “huiselijke klusjes” deden, zoals water halen. Het was dan ook flink druk bij de bron.
Bij zo’n plek is het onmogelijk binnen vijf minuten weer weg te zijn. Integendeel, daar kun je rustig een uurtje voor uittrekken. Het water stroomde niet snel zodat vullen veel tijd in beslag nam. Ik had heel wat liters water nodig, maar ook de anderen kwamen met meerdere kannen en kruiken, jerrycans en zelfs - lege - wijnflessen. Tijdens het vullen spraken de mannen heel geanimeerd met elkaar en soms leek het of ze in een stevige ruzie waren verwikkeld, zo hard en heftig gingen ze tekeer. Maar het tegendeel was waar, zij waren juist hartelijk en minder afstandelijk naar elkaar dan wij gewend waren.
Een week later werd nog steeds gestaakt. Natuurlijk hadden we alle tijd van de wereld, al zaten we voor ons gevoel te “wachten”. Toch was het beslist geen “straf” een poosje op dezelfde plek te blijven. Náfpaktos was een schilderachtig havenstadje waar we ons best vermaakten. De letterlijk grootste attractie was een goed bewaard gebleven Venetiaanse vesting die boven op een heuvel, pal achter de stad lag. Inmiddels was ik vaste klant bij de bakker en elke ochtend voor het ontbijt liep ik naar het postkantoor. Telkens als ik binnenstapte zag ik de ambtenaren in de lach schieten en begon Spiros al meteen naar me te gebaren, dat er nog niets was.
Na een paar dagen was onze gasfles leeg. De koppeling van onze fles is dezelfde als die van Griekse gasflessen. Ik dacht de fles makkelijk te kunnen laten vullen en liep naar een van de vele kleine kruidenierswinkeltjes, die allemaal een rijtje gasflessen voor de deur hadden staan.
“Vullen is geen probleem,” zei de winkelier, “maar daarvoor moet ik de fles opsturen naar de fabriek en dat duurt zeker een week.”
Dat vond ik te lang, vanmorgen had Spiros verteld dat de staking voorbij was en de postbezorging weer snel op gang zou komen. Dan ging ik liever zelf naar de gasfabriek.
“Die ligt aan de overkant van het water,” sprak de winkelier droog.
Dat betekende oversteken met de veerpont waar ik een week eerder met vrees naar had zitten kijken en mopperend reed ik terug naar Antírrion. Achteruitrijdend de veerboot op viel best mee. Alleen kwam ik met mijn lage achterkant klem te zitten tegen de laadklep, maar met wat planken onder mijn achterwielen was dat probleem snel opgelost. Aan de overkant had ik het vulstation snel gevonden en een uurtje later zaten we weer met een gevulde gasfles op de pont naar Antírrion.
Langzamerhand werden Francina en ik het wachten op de post beu. Het was natuurlijk goed mogelijk dat mijn zwager niet direct na mijn telefoontje de post had opgestuurd, maar daarmee misschien zelfs wel een paar dagen had gewacht. Wie weet kon het nòg wel een week duren!
Francina stelde voor ons onrustige gevoel te onderdrukken door een paar dagen weg te gaan uit Náfpaktos. Dat leek me inderdaad de beste oplossing en zo reden we een dag later langs de kust van de Golf van Korinthië naar Delfí, een beroemde plaats uit de oudheid. Vroeger deed hier een orakel uitspraken over de toekomst van personen, steden en legers. Net zoiets als een horoscoop uit de krant, maar dan omgeven met een “heilig” sfeertje. Helaas kon het orakel me niet uitleggen waar mijn post bleef.
Een paar dagen later, terug in Náfpaktos, hield Spiros een dikke envelop met brieven omhoog. Eindelijk, maar volgens mij moesten er twee pakjes zijn, de envelop met brieven en een pakketje met tijdschriften. Ik kon me niet voorstellen dat het pakket er langer over gedaan zou hebben en hield vol dat Spiros even verder moest kijken dan alleen bij de “B” van Booy.
Bij andere postkantoren moest ik meestal bij het afhalen van poste-restante mijn paspoort afgeven, maar ondanks mijn korte achternaam hebben veel postbeambten daar toch moeite mee. Door ervaring wijs geworden had ik Theo gevraagd altijd onze pakjes te omwikkelen met gestreept plakband waardoor ze makkelijk te herkennen waren.
Dat hielp, na enig zoeken haalde Spiros het tweede pakje tevoorschijn uit een bak waarin alle post beginnend met de letter “T” lag. De Nederlandse PTT had boven mijn naam een etiket geplakt, waarop met pen de inhoud van het pakje stond geschreven.
Inderdaad, de “T” van tijdschriften.
"Wat een druk dorp!"
Het drukke verkeer van Athene vond ik het beste te omschrijven als een “permanente chaotische verkeersopstopping”, waar iedereen zich volgens eigen wetten en ideeën doorheen probeerde te worstelen. Terwijl Francina, mijn echtgenote, haar best deed tijdens het kaart lezen niet in de war te raken door de Griekse straatnamen, probeerde ik Gijs, onze kampeerauto, onbeschadigd door het drukke verkeer te loodsen.
Toch hadden we een goede reden om de drukte van Athene te trotseren: we kregen bezoek van Ellen en Paul. Zij zijn oude vrienden van ons en hadden geschreven dat ze graag met hun twee kinderen een weekje naar Athene kwamen. Ik wist zeker dat zij net zo verrukt zouden zijn van Griekenland als Francina en ik. Tenslotte was Paul leraar geschiedenis, had Ellen een opleiding klassieke talen gehad en ook voor hun beide jongens, Frank van twaalf en Michel van tien, leken ons de Griekse oudheden een bijzonder interessante ervaring.
In de ogen van beide jongens zijn Francina en ik een soort suikeroom en suikertante. We kennen de jongens vanaf hun geboorte en kunnen goed met ze overweg. Afgelopen zomer had Frank gezegd dat oom Rutger er modern uitzag in vergelijking met zijn “suffe” vader. Dat leek me een groot compliment uit de mond van een twaalfjarige die op zo’n leeftijd uiterst kritisch naar volwassenen kijkt. Natuurlijk wilde ik aan dat image blijven voldoen en kocht vlak voor hun komst een nieuw sweatshirt van Franks lievelingsmerk. Het was een mooie zwarte met het opschrift “Just Do It”. Frank kon trots op me zijn.
Ellen en Paul hadden hotelkamers gereserveerd in het midden van Athene. Het oude centrum was heel sfeervol, maar ook met hele nauwe kleine straatjes en kleine pleintjes. Francina en ik twijfelden eraan of we Gijs een week lang midden in de stad konden parkeren, zodat we een paar dagen vóór hun aankomst eerst op verkenning gingen. Nergens was een parkeerplaats te vinden tot we midden in het centrum, op het plein voor het klassieke atletiekstadion, een bordje zagen met “verboden voor kampeerauto’s”.
Zulke bordjes waren we in Griekenland niet eerder tegengekomen, maar in het algemeen duiden ze op een mooie plek voor Gijs. Het liefst zou ik een plastic zak om het bord binden, maar mijn verstand zei me dat ik beter een praatje kon maken met de drie agenten die op het plein naar het verkeer stonden te kijken. Tot mijn genoegen vertelden de mannen dat ze alleen in de drukke toeristische maanden de hand hielden aan dat kampeerverbod.
De hele week voor de aankomst van Ellen en Paul liepen we rond met een gevoel van verwachting omdat we “bezoek” zouden krijgen; gezellig met nieuwtjes uit Nederland en natuurlijk genieten van hun twee jongens. Het liefst wilden wij hen in één week alles laten zien en ervaren wat wij de afgelopen weken hadden meegemaakt. Dat was natuurlijk onmogelijk, maar wel maakten we plannen over alledaagse situaties waarmee we hen wilden laten kennismaken. Ook wilden we hen zoveel mogelijk van de omgeving laten zien en zodoende keken we ineens weer met Hollandse ogen om ons heen. Wij waren gewend geraakt aan de Byzantijnse kerken, de laurierstruiken en de prachtige antieke gebouwen, maar voor hen zou het straks allemaal nieuw zijn.
Het eerste wat Frank en Michel ons hadden te melden nadat ze door de douane kwamen was dat ze door overboeking ‘businessklas’ hadden gevlogen in plaats van toeristenklasse en dat ze zalm met kaviaar hadden moeten eten. Dat was een behoorlijke tegenvaller voor twee jongens die meer van patat hielden dan van zo’n “klasse” maaltijd.
“Bah!” spraken beide jongens eensgezind en Frank vulde dat aan met: “Ik hoop dat we terug weer gewoon toeristenklasse vliegen!”
Francina had bedacht Ellen en Paul de komende week allerlei exotische Griekse gerechten als inktvis, tzatzíki, aubergineschotels en dolmades voor te zetten, maar ik besefte dat deze maaltijden waarschijnlijk niet aan beide jongens besteed zouden zijn.
Nog voor we in de auto zaten vroeg Frank, verontrust over het programma wat hem de komende vakantieweek te wachten stond, wat we allemaal gingen doen.
“Mijn ouders willen alleen maar musea, opgravingen en andere ‘ouwe dingen’ bekijken!”
Niet bepaald zijn idee van een leuke vakantie en vol afgrijzen vertelde hij hoe zijn ouderwetse ouders soms ‘uren’ naar een bloempje konden staren.
“Dat kan je je toch niet voorstellen, oom Rutger?” vroeg hij, goedkeurend naar mijn nieuwe sweatshirt kijkend.
Hun hotel lag op loopafstand van het klassieke atletiekstadion, waar wij met Gijs op het parkeerterrein stonden. Het stadion was een veel bezochte toeristische attractie en regelmatig zagen we busladingen met vrijwel uitsluitend Japanse toeristen komen en gaan. Michel waren we meteen kwijt, pas na een half uurtje kwam hij weer tevoorschijn met de mededeling:
“Ik heb nu de 400 meter in een heus Olympisch Stadion kunnen lopen.”
Om hun komst te vieren gingen we op de trappen van het stadion in de zon zitten. Met zijn zessen maakten we een fles champagne soldaat, dronken cola, rode wijn en hadden een hoop bij te kletsen.
De eerste vakantiedag liepen we naar de Acropolis, wij belangstellend, de beide jongens met frisse tegenzin. In hun ogen viel een bezoek aan de meest beroemde bezienswaardigheid van Athene onder het hoofdstuk cultuur. De Acropolis werd afgekeurd als niet ter zake doend voor een leuke vakantie.
Beide jongens, afkomstig uit een dorpje in Noord-Nederland, moesten even wennen aan het drukke verkeer in een miljoenenstad als Athene. Terwijl we stonden te wachten voor het voetgangerslicht en aan alle kanten de auto’s om ons heen vlogen, keek Frank geïmponeerd om zich heen en zei: “Wat een druk dorp is dit!”
Aan de voet van de heuvel begon Frank als een echte puber te zeuren dat hij nodig naar het toilet moest en omdat nergens een toilet was te bekennen hield hij dat “uren” vol.
Michel, solidair met zijn oudere broer, zag ook weinig in die “ouwe zooi” en liep constant kleine steentjes van de grond te rapen om ze met een grote boog van zich af te slingeren.
Ik voelde me weinig op mijn gemak onder de misprijzende blikken van de suppoosten en moest er niet aan denken dat Michel met zo’n steentje de neus van één van de lieflijke godinnen zou raken. Ellen en Paul liepen alleen maar te verbieden en de jongens vermanend toe te spreken. Van de Acropolis zagen ze weinig of niets.
Maar hoe dan ook, de boodschap van de jongens was luid en duidelijk overgekomen en voor de rest van de week gaven we ze dan ook maar vrijstelling voor het bezoeken van “ouwe dingen”.
Wijs geworden overlegde ik met de jongens wat zij leuk vonden om te doen en tot mijn verbazing wilden ze niets liever dan gewoon gezellig “thuis” blijven in de camper. Kaartspelen was favoriet, kaartenhuizen bouwen, “pesten” en Frank wilde dat ik hem leerde jokeren.
De jongens hadden een cassettebandje bij zich met opnamen van Guns n’ Roses en wilden niets weten van mijn voorzichtige pogingen iets van Griekse bouzouki-muziek te laten horen. Nu zijn Guns n’ Roses niet geheel mijn idee van goede muziek, maar Frank wist dat smaakverschil tactisch onder woorden te brengen:
“Oom Rutger is nu eenmaal wat ouder dan het gemiddelde kind!”
Terwijl Ellen en Paul door Athene zwierven om diverse bezienswaardigheden te bekijken, gingen wij met de jongens boodschappen doen en zochten stiekem toch een route langs iets interessants, zoals de wisseling van de wacht voor het koninklijk paleis. Dat bleek een leuk schouwspel op te leveren, waar beide jongens meerdere malen naar terug wilden.
Een van de eerste dagen tijdens de vakantie was Frank jarig. Ik had hem gevraagd wat hij van Francina en mij wilde hebben en was niet echt verbaasd toen hij koos voor net zo’n sweatshirt als dat van mij. Frank was er erg blij mee, tot hij ontdekte dat op de schouder een naadje los zat! De tranen sprongen hem in de ogen, hij rukte het sweatshirt uit en smeet het als een vod in een hoek. Ik pakte het shirt op, bekeek het naadje en zei dat het scheurtje niet veel voorstelde. Dat had een averechtse uitwerking. De tranen werden nog heviger en Frank klom in ons bed boven de cabine om daar voorlopig niet meer vandaan te komen.
Ik zat een beetje met mijn handen in mijn haar en wist niet hoe hem tot bedaren te brengen. Ellen en Paul waren de hele dag op stap en ik zag mijn rol als plaatsvervangend vader volledig de mist ingaan. Zo’n jongen in de puberteit is maar moeilijk te begrijpen, het ene moment aardig en meegaand, het andere in zich zelf gekeerd of de wereld vervloekend.
Plotseling kreeg ik een inval. Ik stelde Frank voor het sweatshirt voor reparatie naar een kleermaker te brengen. Dat idee bracht hem tot bedaren en samen liepen we Athene in, op zoek naar een kleermaker. Die was snel gevonden maar wel duurde het nog “uren” voordat de siësta voorbij was en de kleermaker opnieuw aan het werk ging. Daarna was het leed snel geleden en zag het sweatshirt er weer gaaf uit.
Uit eten gaan associeerden beide jongens met ‘netjes’ en ‘cultuur’, en dus ook niet hun idee van vakantie. Geen problemen, dat gaf Francina de kans haar kookkunst te vertonen. Terwijl wij volwassenen genoten van gebakken inktvisringen of moussaká, verorberden Frank en Michel met smaak een heel blik knakworstjes, maar ook “souvlaki” uit de Griekse “patattent” had hun voorkeur. Boodschappen doen was daardoor natuurlijk een dagelijks terugkerende bezigheid. Vooral vlees kopen bij de slager was een aparte ervaring. Beide jongens gruwden van afschuw toen ze zagen dat herten, wilde zwijnen en kalkoenen met hun natuurlijke jas nog aan en kompleet met kop en staart aan de haak hingen. Wel grote hilariteit bij de winkel van een slager die zijn varkens zo mooi had uitgestald dat ik dacht dat ze elk moment konden opstaan en weglopen, ondanks de olijftakjes die de slager ter versiering in hun oren en zelfs in hun beroemde “achtereind” had gestopt.
Na een bezoek aan de supermarkt bood Frank hoffelijk aan de tas met wijnflessen te dragen, maar dat vertrouwde Francina hem liever niet toe, bang dat hij ze misschien zou laten vallen. Maar ja..., wat gebeurde? Francina zwaaide wat wild met de tas, pardoes tegen een stenen plantenbak. Twee flessen braken en de wijn stroomde over straat. Beide jongens kwamen niet meer bij van het lachen en Frank zei liefjes:
“Zal ik dan nu toch maar de tas dragen, tante Francina?”
Om de andere dag maakten we met Gijs een tocht in de omgeving van Athene, Ellen en Paul breeduit op de banken in het woongedeelte, de jongens liggend voor het raampje bij ons bed en wij in het bestuurders gedeelte. Bij de beroemde Tempel van Poseidon, bij kaap Soúnion waren op het parkeerterrein een aantal mannen bezig met opnamen voor een reclamefilm van een frisdrank. Een zestal felrood gekleurde bestelauto’s met zwierige, witte opschriften reden rondjes over het parkeerterrein, terwijl de inzittenden vrolijk zwaaiden naar de camera. Frank en Michel vonden dat, net als ik, machtig interessant, en we besloten in de auto te blijven toekijken, terwijl Francina met Ellen en Paul de Tempel ging bezichtigen.
Een uurtje later waren de opnamen voorbij. Frank ging opnieuw een kaartenhuis bouwen maar Michel wilde buiten spelen met zijn voetbal. Vanuit een ooghoek zag ik hem richting Tempel klimmen en even dacht ik dat hij van plan was de prachtige zuilen als doelpalen te gebruiken. Dat viel mee, hij stuiterde alleen maar wat met zijn bal en toen hij terugkwam bij de auto vroeg hij langs zijn neus weg:
“Wat was dat ouwe gebouw vroeger eigenlijk, oom Rutger?”
Ik was blij met die vraag, maar om hem te plagen zei ik streng:
“Dat is een groot geheim, Michel. Dat mag ik alleen vertellen aan jongetjes die goed opletten tijdens geschiedenisles op school.”
Een slechter antwoord had ik niet kunnen verzinnen, zijn interesse was meteen verdwenen.
Bij het Kanaal van Korinthië reageerde Frank geestdriftig bij het zien van de reusachtige schepen die met slechts een paar meter speling langs de hoge wanden door het kanaal manoeuvreerden. Maar door de slechte ervaring met Michel durfde ik hem zelfs niet te plagen met zijn enthousiasme.
Bij de opgravingen van de oude stad Korinthië konden we buiten in de zon lunchen. Tijdens de maaltijd vertelde Paul over de Apostel Paulus die een aantal van zijn brieven had gewijd aan de zedeloze bewoners van de stad en ik zag Frank en Michel met interesse luisteren. Op de weg terug naar Athene zat Frank naast me en zei tot mijn verbazing geheel uit eigen beweging:
“Die ouwe stenen hebben toch wel leuke verhalen, oom Rutger!”
De verliefde bankdirecteur
Op onze tocht door Griekenland kwamen we bij Náfplion, een internationale zeehaven waar grote vrachtschepen sinaasappels komen laden. Naast Gijs, onze kampeerauto parkeerde op het haventerrein een personenauto waaruit een oudere man stapte.
Hij was, wat ik noem, een Onassis-type, het soort man dat je veel tegenkomt in Griekenland: niet lang, een beetje gedrongen, zware borstelige wenkbrauwen en een grote zwarte bril.
De man zag Francina, mijn echtgenote, en mij zitten in het achtergedeelte. Hij lachte eens vriendelijk naar ons, liep een rondje om Gijs en wandelde terug naar zijn auto. Hij pakte een reep chocolade van het dashboard en stapte daarmee naar onze deur. Ik deed de deur voor hem open, de man lachte naar mee en stak zijn hand uit. Ik dacht dat het een begroeting was en toen ik zijn hand wilde schudden, greep hij me beet, trok zich met een ruk naar binnen en liep langs me heen naar achteren. Voor ik wist wat er gebeurde zat hij op de bank naast Francina en begon de chocolade uit te delen.
Hij stelde zich voor als Dimitrios, vroeger directeur van de plaatselijke Bank van Griekenland, maar nu gepensioneerd. Hij vond het leuk weer eens Engels te spreken, alleen hadden Francina en ik de grootste moeite zijn Griekse accent te verstaan.
Dimitrios lachte constant, zette zijn bril op en af, sprak met heftige gebaren en greep ons (nou ja, vooral Francina) steeds bij de hand. Hij vertelde alles te weten van de Griekse mythologie en dat klopte wel voor zover we konden nagaan, want ook Francina en ik hadden de laatste tijd daarover het een en ander opgestoken.
In een reisgids over Griekenland had ik gelezen welke schaamteloos nieuwsgierige vragen Grieken kunnen stellen aan bezoekers en Dimitrios sloeg geen vraag over. Hij wilde weten waar we geweest waren, waar we naar toe gingen, wat we van Griekenland vonden, of we getrouwd waren, of we kinderen hadden, of onze ouders nog leefden, wat voor werk ik deed en vooral wat ik verdiende. Zelf vertelde hij 2700 gulden netto per maand aan pensioen te krijgen. Ook had hij een aantal buitenlandse bankrekeningen en onroerend goed. Arm was hij beslist niet.
Als echte Griek kon Dimitrios maar niet begrijpen dat Francina en ik geen kinderen hebben en vooral niet dat wij dat geen probleem vinden. Hij drukte ons op het hart er toch vooral zo snel mogelijk aan te beginnen.
“You must make sex!” riep hij uit en wees daarbij op ons bed boven de cabine. In dat opzicht zijn onze culturen toch wel heel verschillend. Na een poosje haalde Dimitrios uit zijn portefeuille een stapeltje foto’s, waarop zijn vrouw en beide dochters stonden.
“Don’t you think I have very pretty daughters?” zei hij terwijl hij mij de foto’s onder mijn neus duwde, “They will make very good wives and have lots babies!”
Meteen viel Dimitrios in een andere rol dan die van charmeur. Als trotse vader kwam hij niet uitgepraat over zijn familie en zijn verwachtingen van vele kleinkinderen.
Na een uurtje stond Dimitrios op om weg te gaan, maar niet nadat hij ons een zak vol met sinaasappels had toegestopt en ons had uitgenodigd de volgende avond met hem mee te gaan naar een restaurant om een hapje te eten.
De dag daarop kwam Dimitrios weer op bezoek. In de deuropening keek hij me indringend aan, wees op het bed en vroeg:
“Did you?”
Hij verontschuldigde zich dat hij zo laat was en dat we daarom geen tijd meer hadden ergens wat te gaan eten en drinken. Wel had hij, heel aardig, een doosje mooi ingepakte koekjes en weer een zak met sinaasappels bij zich.
Dimitrios vond vooral Francina erg aardig en liet dat op Griekse wijze blijken. Hij werd steeds vrijer, overstelpte Francina met kusjes en geen moment was ze veilig voor zijn altijd zoekende handen. Trouwens ook ik werd bij elke begroeting op beide wangen gekust. Francina begreep eindelijk waarom ooit Jaqueline Kennedy met Onassis trouwde: de charmes van Griekse mannen zijn onweerstaanbaar!
De volgende ochtend kwam Dimitrios ons halen voor een rondrit door de omgeving. Francina ging uit voorzorg achterin zitten, maar ook daar was ze niet veilig voor de amoureuze betastingen van Dimitrios. Nog voor we een meter hadden gereden had hij haar al bij de knieën en was de motor twee keer afgeslagen. Toen hij dit herhaalde op de openbare weg greep ik in en vroeg hem vanaf nu op de weg te letten. Bezeerd verdedigde Dimitrios zich met de woorden:
“Er komt toch geen auto aan?”
En dat op een onoverzichtelijke bergweg!
Op stap te zijn met een “verliefde” heer was een hele ervaring. Het was natuurlijk allemaal spel, maar toch waren wij bezorgd dat het zwakke hart van Dimitrios het zou begeven door alle emoties die hij zo uitbundig ten toon spreidde. Zijn rijstijl was ronduit verschrikkelijk, hij reed snel waar hij langzaam moest rijden en langzaam waar hij een beetje moest opschieten. Meestal reed hij aan de verkeerde kant van de weg en als Francina iets zei liet hij beide handen los van het stuur en draaide zich helemaal om.
Dimitrios bracht ons naar de ‘Palamedes’, de Venetiaanse burcht op de heuvel boven Náfplion. Het was mogelijk om vanuit het stadje bij de burcht te komen maar daarvoor moesten we een trap met 999 treden beklimmen. Dat konden we Dimitrios niet aandoen, hij moest nu al om de twee meter even stilstaan om op adem te komen. Vanaf de wallen van het fort hadden we een schitterend uitzicht over de omgeving. In het fort was een klein orthodox kapelletje en daar stak Dimitrios drie kaarsje voor ons aan.
“For you, to have children,” zei hij.
Langzaam kuierden we terug naar zijn auto en reden weer naar Náfplion. Ik dacht dat Dimitrios ons naar Gijs zou brengen, maar dat bleek niet het geval. Francina en ik begrepen nog steeds de helft niet wat Dimitrios vertelde of wat hij van plan was.
Regelmatig zei hij dat hij ons mee zou nemen naar zijn huis, om te eten en te drinken of naar een restaurant om daar te eten, te drinken én te dansen. Nu zei hij - voor de zoveelste keer deze week - dat het te laat was om te gaan eten. In plaats daarvan reed hij eerst langs het kerkhof van Náfplion, met zijn beroemde Beierse Leeuw en bracht ons toen naar het opgravingsterrein van Tíryns. Eerlijk gezegd had ik op dat moment geen idee wat die ruïnes voorstelden. Pas later - terug in Gijs - las ik in een reisgids dat Tíryns, als geboorteplaats van de Griekse held Heracles, tot de belangrijkste opgravingen in Griekenland behoorde.
Een beetje tot onze verbazing bracht Dimitrios ons toen terug naar Gijs en zei wederom dat hij ons vanavond zou komen halen om gezamenlijk in een restaurant te gaan eten, te drinken en te dansen. Dat eerste wilden we wel maar dansen zagen we niet zitten. Ik had verwacht dat hij om die reden niet zou komen, maar om zeven uur stond Dimitrios weer voor de deur, compleet met drie porties souvlaki, een aantal flessen wijn en vijf kilo mandarijnen.
Dimitrios verontschuldigde zich dat wij, omdat zijn vrouw een beetje ziek was, niet bij hem thuis te gast konden zijn, misschien morgen. Francina had voor zijn vrouw een cake gebakken en daardoor leek Dimitrios nog meer in verlegenheid gebracht dat hij ons niet bij hem thuis kon uitnodigen. We werden vreselijk door hem verwend en mochten niets terug doen. Als gasten in Griekenland waren wij “zijn” gasten.
Tijdens de vele gesprekken merkten we dat Dimitrios liever over de geschiedenis praatte dan over het hedendaagse Griekenland. Hij was een aartsconservatief die niets wilde horen over de stakingen die op dat moment in het hele land werden gehouden en steeds grimmiger leken te worden. Kritiek op zijn land was heiligschennis, in andere culturen zag hij weinig positiefs.
We lieten ons echter de souvlaki’s goed smaken en ook de flessen wijn gingen er vlot doorheen. Vol zorg zagen we daarna Dimitrios in zijn auto stappen.
Dimitrios had ons uitgenodigd de volgende dag met hem naar Mykéne te gaan, een opgravingsgebied uit de Griekse oudheid waarover hij veel wist te vertellen. Ruim vóór de afgesproken tijd was hij echter al bij ons. Hij leek ergens door uit het lood geslagen, maar wat konden we niet meteen ontdekken.
“I am hungry,” zei hij steeds, “I am hungry!”
“Zal ik dan wat te eten voor je maken?” vroeg Francina zorgzaam, maar Dimitrios antwoordde: “Nee, nee! Ik wil niets eten, I am hungry!”
Het duurde een hele poos voor we begrepen dat Dimitrios bedoelde te zeggen dat hij “angry” was en helemaal ontdaan vertelde hij dat hij zijn portefeuille kwijt was. Verloren of gerold? Hij wist het niet. Het geld vond Dimitrios niet zo belangrijk, wel zijn adreslijst die erin zat.
Hij was zo van streek dat het er niet naar uit zag dat we naar Mykéne konden gaan. Hij zou het niet aankunnen. Zo emotioneel als hij eerst de “verliefde” man uithing zo was hij nu de “boze wanhopige” man. We hadden echt meelij met hem en vreesden opnieuw voor zijn zwakke hart.
‘s Avonds kwam Dimitrios opnieuw, heel wat opgewekter, want hij had zijn portefeuille teruggevonden in de slaapkamer van zijn huis. Hij had een fles wijn bij zich en wat lekkers, een paar mierzoete, met wit poeder overdekte stukjes cake, “dolmades”, in wingerdbladeren gewikkelde rijstballetjes met eier- en citroensaus en - natuurlijk - twee zakken sinaasappels. Toen ik vertelde dat we de volgende dag zouden vertrekken, barstte Dimitrios bijna in snikken uit.
“Love you lot, love you lot!” riep hij uit en drukte ons op het hart toch vooral nog een keer terug te komen. Met dit roerende afscheid van Dimitrios verlieten we Náfplion.
TERUG NAAR PAGINA 1 TERUG NAAR PAGINA 2
Voor informatie over Griekenland (routes, reisverhalen en overnachtingplaatsen):
| Home | Auto’s & Kunst | MGA & Andere Auto’s | Kampeerauto | Camperplaatsen | F.T.Steerwood | Jan Wingen | Links |
| Home | Cars & Culture | MGA & Other Cars | Motorhome | Wildcamping | F.T.Steerwood | Jan Wingen | Links |