Leven in Licht en Kleur

This page only in Dutch

flag-nl-50x30Terug naar Jan Wingen, de biografie       flag-gb-50x30Back to Jan Wingen, the biography

TER INLEIDING

Van de jubileumtentoonstellingen van Jan Wingen’s werken

Gaarne geef ik gevolg aan de uitnoodiging van het huldigingscomité om een beknopt overzicht te schrijven van leven en het werk van den Limburgschen landschapsschilder Jan Wingen bij gelegenheid van diens zeventigsten verjaardag.

In een reeks van eeretentoonstellingen kan ons volk dit jaar zijn meesterwerk bewonderen en men zal er in herkennen den levensstrijd, de vreugde en het leed van den mensch, die vele jaren heeft geworsteld met zijn materialen om eindelijk na vijftig jaar van hard werken uiting te kunnen geven aan zijn rijke ziele-leven.

Vijftig jaar lang reeds waardeert men in ons land en ver over de grenzen Wingen’s decoratieve kunstwerken, maar hij zelf rustte niet, voordat hij in geheel nieuwe vormen gestalte gaf aan zijn levensidealen. Reeds op zijn eerste exposities - nu enkele jaren geleden - bleek, dat hij met zijn werk de ziel van ons volk heeft getroffen. Men bewonderde zijn scheppingen; men luisterde naar de levenswijsheid, die er uit spreekt en men kocht zijn doeken om altijd maar te kunnen zien en luisteren naar dat feest van vreugde, naar dat leven in kleur en licht.

In dit jubileum-jaar zullen talloos-velen in stille bewondering staan voor de machtige scheppingen van den ouden meester en ze zullen gelukkig zijn er hun huizen mee te kunnen sieren, omdat zij weten, dat ze daarmee het leven zelf hebben binnen gehaald.

Ik zal mij in mijn opdracht geslaagd weten, als velen - als vooral de jeugd - in het leven en werk van Jan Wingen haar ideaal herkent, het ideaal van iederen mensch: schoon en gelukkig leven.

ANTON DEERING

HET LEVEN IN LICHT EN KLEUR
HET WERK VAN DEN SCHILDER JAN WINGEN

Enkele jaren geleden was de naam van Jan Wingen nog onbekend in de wereld der beeldende kunst en nu staat deze zeventigjarige landschapsschilder vooraan in de rij onzer Nederlandsche schilders.

Er zijn over zijn werk geen uitvoerige beschouwingen geschreven om het daarmee in te leiden bij het kunstminnende deel van ons volk. Reeds onmiddellijk heeft men in hem den meester herkend. En terecht, want zijn werk - dat getuigt van gedegen vakmanschap, van zeldzame genialiteit en van rijpe levenservaring - bezit de kracht den aandachtigen en kunstlievenden toeschouwer tot in het diepste der ziel te ontroeren, omdat het waarachtige kunst is d.w.z. kunst, die een uiting is van het leven, het schoone leven van vreugde en verdriet, van zonlichte blijheid en van nachtdonker verdriet.

Plotseling rijst zijn figuur omhoog uit het midden van ons volk en in zeer korten tijd is Jan Wingen uit een naamlooze onbekendheid naar voren getreden met zulk een rijp en bezonken werk, dat het onbegrijpelijk is, dat iemand in enkele jaren tot een zoo eenzame hoogte kan geraken. Daar is dan ook maar één verklaring voor en dat is het leven van den schilder. Als men dat rijke leven van strijd, van vreugde, van verdriet, maar vooral van menschelijke grootheid leert kennen, ziet men, dat zijn doeken niets anders dan de rijpe vruchten ervan zijn.

Men moet als achtergrond van dit werk niet gaan zoeken een der talrijke stroomingen, die de schilderkunst der laatste decennia hebben beheerscht. Impressionisme, expressionisme, surrealisme en al de andere bewegingen van reactie en vernieuwing zijn aan Wingen voorbij gegaan, zonder zijn werk ook maar eenigszins te beïnvloeden. Wingen schildert niet om ergens op te reageeren of om iets te vernieuwen; hij schildert alleen maar, omdat hij - nu hij daartoe eindelijk de gelegenheid heeft gekregen - móet getuigen van de verrukkingen, die het leven hem, zeventigjarige, heeft gegeven en hem nog iederen dag schenkt.

Zijn kunst is daarom niet het voortbrengsel van een bepaalden tijd, maar zij is kunst van en voor alle tijden, omdat zij gestalte geeft aan het leven, zooals het in alle tijden was voor den waarachtig-levenden mensch.

Nu Nederland zich opmaakt om in talrijke kringen Jan Wingen bij zijn zeventigsten verjaardag te gaan huldigen door de organisatie van een reeks tentoonstellingen van zijn werk (o.a. te Amsterdam, Rotterdam, ‘s-Gravenhage, Maastricht en Eindhoven), willen we op deze plaats de aandacht vestigen op het werk van den ouden toovenaar met kleur en licht.

Omdat zijn werk onafscheidelijk verbonden is en haar ontstaan dankt aan het leven van den schilder, zullen we er in het kort de ontwikkelingsgang van schetsen.

Op 28 Mei 1874 werd Jan Wingen te Keulen geboren. In die prachtige stad aan den “blonden Rijn” doorleefde hij zijn jeugdjaren en de herinnering daaraan is hem altijd nog een diepe vreugde. Hij weet nog te vertellen, hoe hij als zesjarige jongen op de schouders van zijn vader getuige was van de plechtige inwijdingsfeesten van den Keulschen Dom. De onvergelijkelijke kleurenpracht van den historischen optocht, die in het licht van gouden zonneglansen naar den machtigen tempel trekt, de blijde klanken van de groote Kaiserglocken, die als speelsche vogels over de duizendkoppige menigte gaan, de tonen van de koperen horens en de zware trommels voor in de stoet en vooral de monumentale schoonheid van het reusachtige kerkgebouw; dat alles heeft een blijvenden indruk gemaakt op den jongen Wingen. die immers heel zijn leven gevangen wordt door kleurige schoonheid.

Reeds op veertienjarigen leeftijd is hij met zijn ouders naar Maastricht getrokken. Vijftig jaar leefde hij daar temidden van ons volk. Hij leerde onze taal, onze zeden en gewoonten kennen en maakte ze tot de zijne. Hij werd een echte Limburger, een waarachtig Nederlander Maar evenals de prins onzer dichters, Vondel, moet Jan Wingen van zichzelf getuigen:
“een heimelijcke streek verleyt het hert naar mijn geboortstad Keulen.”

Ondanks zijn jarenlang verblijf in ons land, dat hij als zijn tweede vaderland heeft liefgekregen, heeft hij diep In zijn ziel de liefde voor “de stad vol volcks, vol kercken en vol kloosters” bewaard en hij heeft er vorm aan gegeven in een reeks van gevoelvolle schetsen, die eens zullen worden uitgewerkt tot schilderijen. Men zie b.v. maar eens zijn tekening, waarop in wat eenvoudige lijnen de Dom staat afgebeeld achter een fragment van de Hohenzollernbrug en men ervaart onmiddellijk de sfeer van de stad, waarin oude en gewijde pracht harmonisch samengroeide met de moderne en zakelijke majesteit van nieuwe tijden.

Vondel trok naar Amsterdam. Die stad werd zijn tweede vaderstad en hij heeft aan haar zijn schoonste werken gewijd. Wat Amsterdam voor Vondel is geworden, werd Maastricht voor den schilder Wingen.

Op Paaschzaterdag 1888 kwam hij in Limburgsch hoofdstad aan en direct werd hij ontroerd door de schoonheld van de stad, die de silhouetten van haar torens en oude gebouwen omhoog steekt tegen de warm-roode avondhemel. Als hij voor de groote Maasbrug staat en ziet, hoe de zilverenstroom haar water door de breede bogen stuwt, als hij dan opkijkt en de oude stad voor zich ziet liggen, en de Paaschklokken hoort luiden, vindt hij in haar iets terug van zijn geboorteplaats. Zijn liefde voor Maastricht is letterlijk liefde op het eerste gezicht, die in de loop der jaren steeds krachtiger werd, zoodat Jan Wingen - toen hij eenmaal schilderen ging - de mooiste van zijn werken wijdde aan Limburgsch hoofdstad. Nog pas voltooide hij een groot werk, dat een herinnering is aan den eersten indruk, die de schilder vijftig jaar geleden ontving, toen hij de allereerste keer de stad voor zich zag liggen. In stemmige, diep-levende kleuren heeft de kunstenaar het beeld van Maastricht op het doek gezet en het werd meer dan een weergave van een stadsbeeld, het is geworden tot een hulde aan de eeuwenoude stad, die ook in de toekomst haar glorie zal behouden. Terecht noemde hij dat meesterwerk dan ook: Maastricht van alle tijden.

De oude Maasstad heeft hem in zijn jonge, hooggespannen verwachtingen niet teleurgesteld. Zijn leven lang heeft hij er met vreugde geleefd in liefde voor zijn werk en in het waardevol bezit van de goede vriendschap der Limburgers. De liefde voor zijn arbeid en die voor land en volk zijn de blijvende kenmerken van zijn leven en van zijn kunst.

De eerste jaren te Maastricht waren moeilijk en zwaar. Van ‘s morgens vroeg tot ‘s avonds laat moest er hard worden gewerkt om het dagelijksch brood. Samen met zijn vader vestigde hij een schildersbedrijf dat zich door het ijverige en degelijke werk van vader en zoon langzamerhand een goeden naam verovert in Limburg. Maar Jan wilde meer dan het veilig bezit van een goede zaak. Hij wilde meester zijn in zijn vak. Daarom bezocht hij in de vrije avonduren de stads-teekenschool, waar hij zulke vorderingen maakte, dat hij ieder jaar de eerste prijzen behaalde, tot men hem verzocht voortaan buiten mededinging mee te exposeeren. Hij studeerde voor het leeraarsdiploma, werkte in het buitenland en was de eerste Nederlandsche decoratie-schilder, die als eenige van de achttien candidaten de meester-titel behaalde op het examen, dat was ingesteld door de Vereeniging tot Veredeling van het ambacht, een stichting van architect Cuypers. Het atelier-Wingen kreeg steeds grootere en betere opdrachten en dag in dag uit was Jan Wingen aan het werk. Overdag voerde hij de decoraties uit, terwijl hij in de avonduren bezig was met het ontwerpen en begrooten van nieuwe objecten. ‘s Nachts, als het werk voor de zaak klaar was, schreef hij zijn artikelen en teekende hij illustraties voor het bekende Münchener kunsttijdschrift “Die Mappe”, waarvan hij - na het behalen van de prijs bij een prijsvraag om een geïllustreerd artikel over de juiste opvattingen van de decoratieve kunst - litterair medewerker werd en waarvoor hij meer dan dertig jaar lang zijn gewaardeerde artikelen schreef. De Zondagen waren echter feesten voor den jongen meester Dan was hij heelemaal vrij en trok hij met zijn vrienden naar buiten. Hij maakte dan zijn conté-schetsen van het Limburgsche heuvelland met zijn wilde beken, van de gouden korenvelden, de witte kasteelen, de ruige bosschen en de schilderachtige dorpjes. Zoo graag had hij meteen die schetsen uitgewerkt in kleuren. Daar was echter geen denken aan. Het bedrijf liet hem geen tijd daarvoor en ook wist hij zichzelf niet rustig genoeg, zoolang de zorgen om het dagelijksche werk hem in beslag namen. Hij ging trouwens geheel en al op in zijn ambacht, vooral toen hij steeds mooiere opdrachten kreeg uit te voeren. Zijn leven liet hem niets te wenschen over dan het verlangen om eenmaal ook gelegenheid te krijgen zijn vreugde uit te zeggen in de kleuren van het palet.

Toen hij de vrouw zijner keuze had gevonden en het leven voorgoed schoon scheen te worden werd zijn jonge geluk verstoord door zijn tweede moeder, die er geen genoegen mee nam, dat hij van Vader de leiding van het bedrijf overnam. Zij eischte de zaak heelemaal op voor den zoon uit het tweede huwelijk. Zoo stond Jan Wingen, 30 jaar oud, dus bezit-loos op straat. Maar dat kon hem niet terneerslaan; de zekerheid, dat hij met zijn liefde en zijn kennis voor het vak gemakkelijk weer opnieuw een bestaan kon vinden, deed hem zich door alle moeilijkheden heen slaan en al deed het hem pijn, dat hij concurrentie moest gaan plegen tegen de zaak, die hij samen met zijn vader had groot gemaakt, hij vestigde zich zelfstandig als decoratieschilder. Het is te begrijpen, dat iedereen den jongen kunstenaar ook op zijn nieuwe atelier wist te vinden. Hij had naam gemaakt met het werk, dat hij in vaders zaak uitvoerde, met het ontwerpen en uitvoeren der decoratieve versiering van schouwburgzalen te Düsseldorf en met de versiering, die hij op de Maasbrug in opdracht van het stadsbestuur had aangebracht, toen de jonge landsvorstin in 1898 de stad bezocht. Eenieder had graag werk van dien ijverigen en kundigen vakman, die elke opdracht met groote liefde uitvoerde. Het nieuwe atelier breidde zich dan ook steeds meer uit. Er kwam een tijd, dat er meer dan honderd schilders aan het werk waren en dat jonge kunstenaars er een eer in stelden practijkkennis te mogen opdoen in Wingen’s atelier. Maar een bedrijf van dergelijken omvang brengt groote zorgen met zich mee en Wingen vond nog steeds niet de gelegenheid om zijn liefste wensch te vervullen en de gevoelens van zijn ziel op doek weer te geven. Het eenige, waarvoor hij op Zondag de tijd bleef behouden, was het maken van zijn schetsen. Altijd droeg hij schetsboek en conté bij zich. Als hij op reis moest voor de zaak of als hij ging wandelen met zijn jongens, vergezelden hem zijn witte en zwarte vrienden, schetsboek en contépotlood, en in de loop der jaren verzamelde hij honderden teekeningen van de mooiste plekjes uit het Limburgsche land.

Die teekeningen zouden hem later inspireeren tot het scheppen van zijn schilderijen. Op zichzelf zijn talrijke van die schetsen al kleine schilderijen in zwart en wit. Ze geven in rake lijnen en zachte nuances gestalte aan de ontroering, die zich van den schilder moet hebben meester gemaakt bij het zien van al het schoone in de natuur. Buiten in de natuur zoekt hij de rust en de vlucht uit de materieele zorgen en hij was dan ook zielsblij, toen hij zich eenmaal een huis kon laten bouwen in Limburgsch heuvelland. Zijn vlucht naar buiten was echter geen laf heengaan uit het werkelijk leven. Hij had het leven van iederen dag immers te lief. Neen, in de natuur vond hij dat leven weer, maar nu zonder kleine bijkomstigheden, die slechts dienden om te voorzien in het bestaan. In de helder-blauwe luchten herkende hij de zuivere levensvreugden en de dreigende onweerswolken waren beelden van de moeilijkheden, die ieder strijdend mensch ondervindt. In de eenzame boom aan den rivieroever zag hij zijn eigen levenseenzaamheid en in de hooge populieren van de boschdreef wist hij zijn eigen verlangens.

Na het verblijf op het land iederen dag na de dagtaak, keerde hij toch den volgenden dag weer blij terug naar de stad om naar zijn werk te gaan, want dat werk had hij bovenal lief.

Vijftig jaar zwoegde hij met potlood en penseel om in zijn vak het hoogste te bereiken, wat mogelijk was. Tevreden kon hij terugzien op de arbeid, die gedaan was, toen hij - een en zestig jaar oud - zijn bedrijf aan jongere krachten overliet.

Samen met zijn vrouw trok hij in 1935 naar Den Haag. In die stad met haar rijke omgeving van zee en duinen, van onbetreden boschjes, van polders en plassen, zou hij in den levensavond van een welverdiende rust gaan genieten.

Iedere dag maakte hij wandelingen buiten de stad. Natuurlijk nam hij op zijn tochten het schetsboek mee en altijd kwam hij thuis met zijn teekeningen. Nu eens was het een enkel huisje in de duinen, dat hem had getroffen; dan weer was het de wilde pracht van een groep knoestige boomstammen op Okkenburg of Raaphorst en weer een andere keer teekende zijn vaardige hand de stille en pure schoonheid van de plassen in het Zuiderpark.

In plaats van in rust, werd hij gevangen in nieuwe activiteit. De man, die heel zijn leven zoo hartstochtelijk had geleefd, kon niet rusten. Hij richtte zich een atelier in - want nu moest het verlangen van heel zijn leven worden vervuld - en hij greep naar palet en penseel om in licht en kleur te gaan vertellen, wat hij buiten zag. Het werk bevredigde hem niet. Het penseel kon de onstuimige vaart van zijn verlangen niet volgen en dan greep hij naar het paletmes. Nu komen in forsche streken de verven op het doek en dan zingt zijn ziel in de kleuren van het palet van alles, wat hem in het leven heeft beroerd.

Jan Wingen schildert de zee, de duinen, de wolken van de zomerluchten, de wolken van den herfsthemel, de bosschen en de plassen, maar onder zijn handen worden zijn schilderijen meer dan natuurgetrouwe weergaven van zee, wolken en boomen. Het worden stuk voor stuk levensverhalen. Soms zijn het sprookjes van innig geluk, als hij in zijn sneeuwlandschappen een simpel onderwerp - een enkel bruggetje, een eenzame boom - al de kleuren van zijn palet op het doek samenbrengt tot een tooverachtig wit, dat tot nadenken stemt. In al zijn winterlandschappen heerscht die sprookjessfeer of de stemming van oude minneliederen en het is alsof den ouden schilder in zijn winters vertelt van de verrukkingen der liefde.

Maar vaak ook zijn het zwarte gestalten van levensstormen en dan zet Wingen met forsche messtreken zijn machtige wolkenpartijen op het doek, die onheilspellende symbolen van donkere dagen in het leven. Maar door het grauw van de Hollandsche luchten breekt het geele licht van den zon, want Wingen weet, dat er voor den strijder na alle leed toch weer vreugde komt.

Ieder doek heeft wat te vertellen aan den mensch, die werkelijk leeft en het leven met zijn strijd, zijn vreugden en zijn leed liefheeft. De oppervlakkige mensch, de louter-aestheet en de levensvreemde romanticus moet voorbijgaan aan dit levensrijke werk, dat geschapen wordt in den avond van een menschenleven, maar dat in werkelijkheid is ontstaan midden in de branding van den levensstrijd. Daarin ligt de verklaring voor het feit, dat de kunstcritici aanvankelijk meenden te doen hebben met het werk van een kunstenaar, die in de kracht van zijn leven zijn groote gaven ontplooit. Jan Wingen heeft als zeventigjarige de vitaliteit van den jongen strijder, maar hij heeft bovendien de levenswijsheid van den ouden mensch. Daarom werd zijn werk onmiddellijk gewaardeerd als iets grootsch, dat genoemd mag worden tesamen met de meesterwerken der laatste honderd jaar. Hier is geen sprake van experimenteeren, maar dit is een geven, een alsmaar geven van alles, wat een door het leven gelouterden en gerijpten kunstenaar aan levenswaarden bezit.

Na de directe uitbeelding van de teekeningen, die hij in de omgeving van Den Haag maakte, vond Jan Wingen zijn schetsenverzameling terug, waarin vijftig jaar leven en strijd liggen uitgedrukt. Hij schildert dan op zijn atelier de landschappen, die hij tientallen jaren geleden heeft gezien en bewonderd. Zooals Willem Maris eens zeide: “Ik schilder geen koeien: ik schilder de zon”, zoo kan Jan Wingen nu met recht zeggen: “Ik schilder geen boomen en geen wolken, ik schilder geen water en geen land, geen kasteelen en geen kerken: ik schilder het leven”.

Op jarenlangen afstand van zijn onderwerpen, worden zijn doeken zuiver visionnair: ze zijn een vangen van licht en kleur. In breede toets worden ze op het doek gezet, waarmee onmiddellijk de stemming van lichte zonne-zomer, van witte winterstilte, van jonge lentevreugde en van rijpe herfsternst wordt geschapen. In zijn landschappen geeft Jan Wingen onbewust een beeld van zijn eigen eenvoudige en groote leven, omdat hij daartoe gedrongen wordt. Hij schilderde slechts om zijn ziel te verlossen van haar zalige dracht van vreugde en verdriet en hij dacht er niet aan om zijn werk onder het publiek te brengen, totdat een groep Limburgsche schilders hem drong mee te doen aan een tentoonstelling in het Suermondt-museum te Aken. Aarzelend stuurt hij dan zeven van zijn werken in en reeds den eersten dag zijn al zijn doeken verkocht, terwijl de Nederlandsche en Duitsche pers in hooggestemde beschouwingen zijn kunst prijst. Op de tentoonstelling, die gehouden werd in de zalen van de Kunst-Verein te Düsseldorf worden weer al zijn Landschappen verkocht. Dan worden zijn werken achtereenvolgens tentoongesteld in de kunstzalen Bennewitz te ‘s Gravenhage en in het Van Abbe-museum te Eindhoven en weer komt er geen enkel doek terug op het atelier van den schilder. Critici van naam erkennen hem en het publiek waardeert den meester. Beter dan alle woorden is dit alles een bewijs, dat Jan Wingen met zijn werk de ziel van ons volk heeft getroffen. Dat kon ook niet anders, want zijn schilderijen zijn een weergave van het schoonste, wat er in ons volk leeft en daarom zijn zij in staat den strijdenden mensch van deze en komende tijden te ontroeren.

Delft, Maart 1944

Anton Deering


DE SCHILDER JAN WINGEN

Ons tot geluk leeft deze mens
die onze ogen leert aanschouwen
Zie: voor ons, arme blinden, doet
hij paradijzen zich ontvouwen.

Zijn doeken tonen ons de pracht
van bossen, vennen en rivieren;
wij dwalen, door zijn hand geleid,
langs weg en weide, welker sier en

bescheiden tooi ons zijn ontgaan
bij ’t jagen achter waan en weten.
De schoonheid van het Dietse land,
waarlijk, men moet haar heerlijk heten.

Mijn dankbaar hart, ontroerd en blij,
zoekt voor den schilder eerbewijzen.
Wat kan het beter doen, dan dat
het verzen dicht om hem te prijzen?

Koos van Doorne.

flag-nl-50x30Terug naar Jan Wingen, de biografie       flag-gb-50x30Back to Jan Wingen, the biography